This site is 100% ad supported. Please add an exception to adblock for this site.

Dutch quiz 2/25

Terms

undefined, object
copy deck
broer
brother
tien over half twee
twenty to two
kelners
waiters
ik verander
I change
ik trouw
I marry
thuisgekomen
have come home
wie
who
ik vertrek
I leave
ik vul
I fill
sinds
since
schouders
shoulders
de dagen van de week
the days of the week
wenken
to motion closer, to wink
tafels
tables
ik rijd
I drive, I ride
zoon
son
besloot
he decided
vullen
to fill
horloges
wristwatches
ik haal de schouders op
I shrug my shoulders
gooien
to throw
kleren
clothes
het jaar
year
bureaus
desks
zwijgen
to be silent
december
december
gebracht
have brought
jenever
Dutch gin
september
september
roet in het eten gooien
to be a spoil-sport
samen
together
hoeveel
how much/many
waar
where
gaven
they gave
de schouders ophalen
to shrug one's shoulders
het gezin
nuclear family
kon
he was able to, could
konden
they were able to, could
schouder
shoulder
kelner
waiter
vijand
enemy
ik bel op
I phone
maart
march
dorst
thirst
ik knik
I nod
nodig gehad
have needed
licht
light
had nodig
he needed
wat
what
kwam
he came home
waarom
why
overal
everywhere
van hetzelfde laken een pak
cut from the same cloth
ons/onze
our
jouw, uw
your (singular)
helicopter
helicopter
een beetje
a little bit
brachten
they brought
gelachen
have laughed
vragen stellen
to ask questions
at
he ate
trouwen
to marry
juni
june
ben vertrokken
have left
lieveling
favorite, darling
ik zwijg
I am silent
thuiskomen
to come home
patat
french fries
zijn
his
enig
only
bracht
he brought
november
november
ik stel vragen
I ask questions
liet
he let, allowed
lachen
to laugh
het bureau
desk
kwart over twaalf
a quarter past twelve
manier van doen
way of doing things
broers
brothers
zaterdag
saturday
families
extended families
hard
hard
beetjes
little bits
weer
again
augustus
august
familie
extended family
ik glimlach
I smile
glazen
glasses, cups
reed
he drove, rode
kunnen
to be able to
smal
narrow
ik antwoord
I reply, I answer
gedronken
have drank
het duurt
it lasts
middagen
afternoons
net zo'n
the exact same
juli
july
besluiten
to decide
leeg
empty
reden
they drove, rode
hoe
how
het roet
soot
op reis zijn
to be on a trip
efficiënt
efficient
anders
otherwise
vertrokken
they left
achter
behind
was op reis
he was on a trip
half een
half past twelve
iets
something
ik kom thuis
I come home
nergens
nowhere
taxi
taxi
mei
may
ik ben op reis
I am on a trip
sla
salad, lettuce
aardig
nice
goedemiddag
good afternoon
maand
month
glimlachen
to smile
hadden nodig
they needed
al
already
op reis geweest
have been on a trip
het bier
beer
de maanden van het jaar
the months of the year
het buitenland
abroad; foreign country
ik draai
I turn
het is druk
it's busy
hoe laat is het
what time is it
secretaris
secretary
ik buig
I bow
vertrok
he left
homo's
gay men
ruim op tijd
in plenty of time
honger
hunger
het glas
glass
lepel
spoon
gaf
he gave
zee
sea
vriendelijk
friendly
ik gooi
I throw
dinsdag
tuesday
beneden
downstairs
welk
which + het
middernacht
midnight
dank u
thank you
slecht
bad, evil
lepels
spoons
april
april
best
best
ik besluit
I decide
dat
that + het
ik laat
I let, I allow
herfst
fall
gelukkig
happy
woensdag
wednesday
op de middag
twelve noon
oktober
october
dochter
daughter
laten
to let, to allow
ik geef
I give
bestellen
to order
kwamen thuis
they came home
gereden
have driven, have ridden
buigen
to bow
deze
this + de
vork
fork
nodig hebben
to need
januari
january
aten
they ate
duren
to last
bogen
they bowed
rijden
to drive, to ride
werkelijk
really
zomer
summer
ik wenk
I motion closer, I wink
eigenlijk
in fact
boog
he bowed
hoe maakt u het?
how are you?
deze
these
ik lach
I laugh
weinig
little
hun
their
villa
villa
meestal
mostly
dronk
he drank
het verhal
story
lachte
he laughed
plotseling
suddenly
haar
hers
drinken
to drink
zondag
sunday
die
those
tevreden
content
tijd
time
smaak
taste
middag
noon, afternoon
vrijdag
friday
jong
young
het is veel geld waard
it's worth a lot of money
welke
which + de
tien voor half twee
twenty past one
gezwegen
have been silent
ik eet
I eat
eten
to eat
ik kan
I am able to, I can
gegeten
have eaten
vertrekken
to leave
mijn
my
wat voor
what kind of
dringend
urgent
gegeven
have given
zweeg
he was silent
ik heb ... nodig
I need
flink
well
seizoenen
the seasons
dochters
daughters
kwart voor een
a quarter to one
donderdag
thursday
het feit
fact
draaien
to turn
daken
roofs
tegen
to, against
reis
trip
knikken
to nod
veranderen
to change
tafel
table
hoe oud
how old
gekund
have been able to
twaalf uur
twelve o'clock
ik breng
I bring
antwoorden
to reply, to answer
dronken
they drank
ik gooi roet in het eten
I am a spoil-sport
taxi's
taxis
wanneer
when
besloten
they decided
gebogen
have bowed
zus
sister
gelaten
have let, have allowed
ik weet het niet
I don't know
lieten
they let, allowed
geven
to give
lente
spring
waren op reis
they were on a trip
helicopters
helicopters
opbellen
to phone
besloten
have decided
ik bestel
I order
held
hero
langzaam
slowly
jullie, uw
your (plural)
die
that + de
maandag
monday
ik drink
I drink
om de zeven jaar
every seven years
villa's
villas
februari
february
het mes
knife
diamant
diamond
het dak
roof
het horloge
wristwatch
dit
this + het
brengen
to bring
zwegen
they were silent
winter
winter
homo
gay man
later
later
eindelijk
at last
het idee
idea
lachten
they laughed

Deck Info

271

permalink