cueFlash

Glossary of Dutch Year 1

Start Studying! Add Cards ↓

aan…doen
to practise, to play (sport)
aangenaam
nice to meet you
aanvullen
to fill in
afdeling (de)
the ward, the section
Amerika
America
antword (het)
the answer
antwoorden op
to answer
basketbal (het)
basket-ball
beantwoorden
to answer
bekend
well-known
beleefd
polite
België
Belgium
beluisteren
to listen to
beroep (het)
the profession
bezoek
the visit
blij
happy, glad
boek (het)
book
boksen (het)
boxing
brandweerman (de)
the fireman
broer (de)
the brother
burgerlijk
civil
café
the pub
dag!
hello!
dag (de)
the day
dame (de)
the lady
Dutch
English
1 zich voorstellen: ik stel me voor
To present/introduce oneself: I introduce myself
2 kennismaken aangename
To meet, pleased to meet you.
kennismaking - aangenaam
Introduction
3 Hoe gaat he? met je/jou/u?
How are you?
4 Hoe maak je het? Hoe maakt u het?
How does it make with you? / How are you?
5 meneer / mevrouw
Sir/ madam
6 goedemorgen (goeiemorgen)
Good morning, etc
goedenamiddag (goeienamiddag)
Good afternoon
goedenavond (goeienavond)
Good evening
dag - hallo
Good day - Hello
7 nieuw - opnieuw
New, another time
8 wie? vb: Wie ben je?
Who?, Who are you?
wat ? vb: Wat is je naam?
What is your name?
waar? vb: Waar woon je?
Where do you live?
wanneer? vb: Wanneer is de les?
When is the lesson?
hoe ? vb: Hoe heet je?
Who are you called?
waar ? vb. Waar woon je?
Where do you live?
waar . vandaan / naartoe?
Where from? Where to?
Waar kom je vandaan?
Where do you come from?
Waar ga je naartoe?
Where are you going to?
9 mijn voornaam / mijn (familie)naam is
My forename is/my family name is..
10 Ik woon in…
I live in…
11 Ik werk in...
I work in…
12 Ik ben (niet) getrouwd / gehuwd…
I am (not) married….
Ik ben gescheiden
I am divorced
13 Ik heb één (twee, drie ...) kind(eren)
I have 1,2,3 children
ik heb geen kinderen
I have no children
14 de jongen(s)
the boys
15 het meisje(s)
the girls
16 de vriend(en) - de vriendin(nen)
boy/girl friend(s)
17 mijn hobby is… mijn hobby's zijn
My hobby is … hobbies are
Ik speel graag…..
I enjoy playing…
sporten = Ik doe aan sport
I play sport
- voetbal spelen = voetballen
play football
- lezen
to read
muziek spelen, maken
play/make music
muziek betuisteren(luisteren naar)
listen to music
knutselen
mess/play around with
dansen
to dance
tv-kijken
to watch TV
kaarten
To kart
fietsen
to cycle
rennen (lopen)
to run
tennissen
to play tennis
18 de familie:
the family
de man / echtgenoot
husband
de vrouw / echtgenote
wife
het kind (de kinderen)
children
de zoon (zoons/zonen)
son
de dochter(s)
daughter
de moeder(s) / de vader(s)
mother/father
de ouder(s)
parents
de broer(s) / de zus(sen)
brother/sister
de tante(s) / de oom(s)
aunt/uncle
de nicht(en) / de neef (neven)
niece/nephew
de grootmoeder(s) de oma('s)
grandmother
de grootvader(s) de opa('s)
grandfather
de grootouder(s)
grandparents
de kleinzoon(s) / de kleindochter(s)
grandson/daughter
het kleinkind (de kleinkinderen)
grandchildren
de schoonmoeder(s) / de schoonvader(s)
mother/father in law
de schoonouder(s)
parents in law
de schoonbroer(s) / de schoonzus(sen)
brother/sister in law
de schoonzoon(s) / de schoondochter(s)
son/daughter in law
19 de kleuren:
colours
wit - geel - oranje - beige
white, yellow, orange, beige
(licht)(donker)groen - (licht)(donker)blauw
light/dark green….blue
(licht)(donker)bruin - zwart - roze
light/dark brown, black, pink
rood - paars - violet - grijs
red, purple, violet, grey
20 het land (de landen):
the country, the countries
België, Nederland, Duitsland, Frankrijk,
Belgium, Netherlands, Germany, France
Luxemburg, Groot-Brittannië, Spanje, Italië
Luxembourg, Great Britian, Spain, Italy
de Verenigde Staten van Amerika (de V.S.)
United States of Amerika
21 hebben
to have
zijn
to be
werken
to work
gebruiken
to use
tekenen
to draw/sign
bedienen
to serve
verzorgen
to look after
geven
to give
regelen
to control, regulate,
wonen
to live
22. het gezicht:
the face
het oog (de oogen)
eye
het oor (de oren )
ear
de neus
nose
de mond
mouth
het haar: blond, bruin, rood, zwart, grijs
hair - blond, bruin, red, black, grey
krullend, steil, gegolfd
curly, straight (hair), wavy
met een paardenstaart, met een knot
with ponytail, with a knot
kort, halflang, lang
short, halflong, long
de wenkbrauw (en)
eyebrow(s)
de rimpel(s)
wrinkle(s)
de snor de baard
moustache, beard
de oorring
ear-ring
de bril de (contact) lens (lenzen)
glasses, contact lenes
23 het beroep (de beroepen):
occupation, profession
de secretaresse(n/s) -.
secretary
de dokter (s)
doctor
de brandweerman
fireman
de brandweermannen de brandweerlui
firemen, firepeople
de tekenaar(s)
draughtsman/draftsman
de onderwijzer(s) de onderwijzeres(sen)
teacher/female teacher(s)
de leraar(s) de lerares(sen)
teacher/female teacher(s)
de kok(s)
cook
de metselaar(s)
bricklayer
de kelner(s)
waiter
de telefonist(en) de telefoniste(s)
telephonist
de politieagent(en)
policeman
de verpleger(s) de verpleegster(s)
nurse, female nurse
de zakenman (zakenlui)
businessman, business people
de tuinier(s)
gardner
de postbode(s/n)
postman
Ik heb een boek, Het is mijn boek.
I have a book. It is my book
Jij hebt een boek. Het is je/jouw boek.
You have a book. It is your book.
U hebt een boek. Het is uw boek.
You have a book. It is your book.
Hij heeft een boek. Het is zijn boek.
He has a book. It is his book.
Zij heeft een boek. Het is haar boek.
She has a book. It is her book.
Wij hebben een boek.Het is ons/onze boek
We have a book. It is our book.
Jullie hebben een boek.Het is jullie/je boek.
You (plural) have a book. It is your book.
Zij hebben een boek. Het is hun boek.
They have a book. It is their book.
Woordenlijst hoofdstuk 2
Wordlist Chapter 2
1 Wat is de prijs van? = Hoeveel kost(en)?
What is the price of…? How much does . cost?
2 Een boot kost ...euro per persoon.
a boat costs…..euro per person
3 een halve dag… een hele dag
a half day…. A whole day
4 een half uur … één uur
a half hour… one hour
5 de cijfers von 0 tot: een, twee, drie, vier
the numbers from 0 to…. One, two, three, four
vijf, zes, zeven, acht, negen, tien
five, six, seven, eight, nine, ten
6 Hoeveel ... zijn er?
How many are there?
7 Er is ... een …. / er zijn ….
There is…. One…/ there are….
8 het huis ….. de woning:
The house …. The home
de hal
hall
de (ingerichte) keuken
(fitted) kitchen
de woonkamer (de living): de eetkamer
living room, dining room
de zithoek
sitting corner
de slaapkamer(s)
the bedroom(s)
de badkamer(s) : de douche - het bad
the bathroom - shower, bath
de wastafel
wash hand basin
het toilet = de WC
toilet
de garage(s)
garage
het (overdekte) terras
(covered in) terrace
het balkon
balcony
gelijkvloers de (eerste) verdieping
like floors - the first storey (floor)
de centrale verwarming
central heating
de tuin
garden
de vloer het plafond de muur (muren)
floor, ceiling, wall(s)
de deur(en) het raam (de ramen)
door(s), window(s)
9 het meubel (de meubelen/de meubels):
furniture
de stoel(en)
chair
de tafel(s)
table
het bed(den) - het eenpersoonsbed
bed, single bed
het tweepersoonsbed - het stapelbed
double bed, bunk bed
het rek(ken)
cabinet
de kast(en) de sofa('s)
wardrobe, cupboard, sideboard…. Sofa(s)
de/het schilderij(en)
picture(s)
de zetel(s)
seat, chair
de sofa('s)
sofa
het tv-toestel(len)
TV apparatus
de cassetterecorder(s)
cassette recorder
de koelkast(en)
fridge
het fornuis (fornuizen)
oven
-. de boekenkast(en)
book case
10 de plant(en) de bloem(en)
plant(s) flower(s)
11 het tapijt(en)
carpet
12 het telefoonnummer : met + je naam
telephone number, this is….
13 Ik telefoneer naar/met iemand.
I'm telephoning for…..someone
14 We wensen een appartement te huren…
We wish an appartment to rent…..
van 1 tot 15 augustus.
from 1st August to 15th August
Ik heb een huis tegen de prijs van x euro.
I have a house against the price of x euro.
16 zijn naam spellen
your name to spell
17 de maanden (de maand) van het jaar :
the months (month) of the year
januari - februari - maart
january, february, march
april - mei -juni
april, may, june
juli - augustus - september
july, august, september
oktober - november - december
october, november, december
18 de dagen (de dag) van de week:
the days of the week
maandag - dinsdag - woensdag
Monday, Tuesday, Wednesday
donderdag -vrijdag
Thursday Friday
zaterdag - zondag
Saturday, Sunday
19 het appartement(en)
the appartment
20 de villa('s)
villa
21 alleen
only
22. je gezin = je familie
family
23 koffiezetten: Ik zet koffie in de keuken.
make coffee, I make coffee in the kitchen
een bad/douche nemen:
to take a bath/shower.
Ik neem een bad in de badkomer.
I take a bath in the bathroom
25 zich scheren :
to shave yourself
Ik scheer me in de badkomer.
I shave myself in the bathroom.
Hij scheert zich...
He shaves himself
26 zijn tanden poetsen:
brush your teeth
Ik poets mijn tanden in de badkamer.
I brush my teeth in the bathroom
lezen : Ik lees een boek in de woonkamer.
read: I read a book in the living room
slapen : Ik slaap in de slaapkamer.
sleep: I sleep in the bedroom
de tafel dekken. Ik dek de tafel in de keuken.
set the table: I set the table in the kitchen
bakken:
bake
Ik bak een brood (in de oven) in de keuken
I bake bread in the oven in the kitchen
31 drinken:
drink:
Ik drink een aperitief in de woonkamer.
I drink an aperitief in the living room
32 de preposities :
prepositions
voor - achter - bij / naast
before - after - by/next to
tussen - in - op - onder - aan
between - in - on - under - at/beside/in/upon
33.Waar is …..? Er is een ... / er zijn
Where is…? There is one…. / there are
Er ligt een ... / er liggen
There lies
Er staat een ... / er staan
There stands
Er hangt een ... / er hangen
There hangs
Dat is een badkamer want er staat een bad
That is a bathroom because there is a bath
Dat is een badkamer want er is een bad.
That is a bathroom because there is a bath
Woordenhijst hoofdstuk 3
Wordlist Chapter 3
1 de tijd - Hoe laat is het?
the time, what time is it?
2 het uur - Het is...uur = 't Is...uur.
the time, it is….o'clock
3 het halfuur - Het is half. Het is halftwaalf.
the half hour - it is half past….
4 het kwartier - Het is kwart voor/over
the quarter. It is quarter before/past…..
5 om : om twaalf uur
at twelve o'clock
6 het seizoen (en) - het jaargetijde (n):
the season(s) - the season
de lente - de zomer - de herfst - de winter
spring, summer, autumn, winter
7 de dag: de morgen - 's morgens /
the day - the morning, in the mornings
de ochtend - 's ochtends
the morning, in the mornings
de voormiddag - 's voormiddags
before midday, in before middays
de middag - 's middags
midday, in the middays
de namiddag - 's namiddags
the afternoon, in the afternoons
de avond - 's avonds
evening, in the evenings
de nacht - 's nachts
night, at night
middernacht
midnight

Add Cards

You must Login or Register to add cards